Mark Tijsmans: Ik ben een commercieel zwijn

In 1999, het jaar waarin de eerste serie flikken werd uitgezonden, raakte bekend dat de criminaliteit in Gent in één jaar tijd met 26.52% was gestegen. Puur toevallig, hoor: daar zijn Mark Tijsmans en ik het snel over eens, maar ik vond het wel een geinige gedachte, die ik hem niet wilde onthouden. Het leven is al treurig genoeg, en buiten is de zomer ineens voorbij op deze maandag in Antwerpen. Alom sjokken kindertjes weer naar school.

Ondertussen is 'Flikken' al aan z'n derde televisieseizoen toe, waarin Tijsmans nog steeds de vreemde eend Wilfried Pasmans is, een ontypische smeris die langer heeft doorgeleerd dan zijn collega's. Tussendoor is Tijsmans nog altijd wrapper bij Ketnet, tevens zanger bij de ketnetband en weldra zal hij ook een rol zingen en spelen in de musical 'Camelot'. Nu hij even stilzit, maak ik van de gelegenheid gebruik hem een vraag te stellen, die ik, om op te schieten, nu even oversla. In ieder geval antwoordt hij er het volgende op:

Mark: Ik had als kind al door dat ik echt graag toneel speelde en dat ik daar later echt mijn beroep van zou willen maken. Ik was niet goed in sport, terwijl ik toch uit een sportief gezin kwam, en bovendien lid van een atletiekclub was. Mijn twee broers waren goed in atletiek en in voetbal, en mijn vader was in zijn jonge jaren ook een goede sportman. Later werd hij starter in de atletiek. 's Winters, als ik deelnam aan de scholencross, liep ik altijd als laatste over de eindstreep. Ik wil daar niet zielig over doen, want ik vond dat toen ook niet zielig. Ik besefte dat ik er niet goed in was, dat was alles. Op mijn twaalfde kwam ik bij toeval in het amateurtoneel terecht, en daar ontdekte ik onverwachts iets waar ik wel goed in was. Hé, dit kan ik, dacht ik vrijwel meteen. Niemand in mijn familie had zich ooit met theater beziggehouden. Ik voelde mij lekker op het toneel, ik kreeg er zelfs een kick van, en die initiële kick voel ik eigenlijk nog steeds. Als ik me mijn allereerste amateurvoorstelling voor de geest haal, dan weet ik dat ik toen hetzelfde gewaar werd als tijdens Peter Pan, de musical waarin ik vorig jaar de hoofdrol heb gespeeld. Ik was toen al eenendertig. Ik ben in alles laat. Lang geleden zei een kostuumontwerpster tegen mij: Jij zal héél lang moeten wachten.

Klonk dat niet verontrustend? Als men jong is, heeft men doorgaans weinig geduld.

Mark: Misschien wel, maar een laatbloeier zijn, heeft ook z'n voordelen, weet ik nu. Ik ben bijvoorbeeld niet bang om ouder te worden, want ik denk aanhoudend dat het voor mijn nog allemaal moet beginnen. Of, zoals met Peter Pan het geval was, dat ik nu iets kan waar ik tien jaar geleden niet eens aan had durven te beginnen.

GEMISTE ROEPING

Het vreemdste dat ik van je weet is dat je ooit getwijfeld hebt tussen toneel en het priesterschap.

Mark: Ik heb ooit twee roepingsweekends gevolgd in de abdij van Averbode. Daar heb ik ontdekt dat ik maar beter geen priester kon worden, ik werd er gek van de stilte, en als het zo stil is, begin je onvermijdelijk na te denken. Zodoende kwam ik erachter dat mijn drang om acteur te worden erg groot was. Ik ben blij dat ik dat op zo'n roepingsweekend heb ontdekt. Op tijd, bedoel ik, en niet te laat, als je al priester bent.

Hoe komt het dat je het priesterschap überhaupt in overweging nam?

Mark: Ik ben katholiek opgevoed, in een gezin dat er actief was in de parochie. Zelf heb ik nog vormselcatechese gegeven, en ik zat bij de Chiro. In die jeugdbeweging hadden we altijd heel goede proosten, leuke priesters naar wie ik geweldig opkeek. Al die priesters kwamen bij ons thuis over de vloer, en ik bleek niet ongevoelig te zijn voor hun invloed. Ik voelde me goed in hun gezelschap, en ik voelde me ook heel goed in de Kerk. Vorig week hebben we voor 'Flikken' ergens op het platteland gefilmd. Daar stond een kerkje, en ik merkte dat ik steeds geneigd bent er meteen binnen te stappen. Nu, het was al jaren geleden dat ik nog in een kerk was geweest, maar meteen voelde ik dat ik er nog steeds iets mee te maken had. Er gebeurde iets met mij, ik voelde me er goed. In dit geval deed de sfeer er me ook denken aan 'dagboek van een herdershond' en aan kapelaan Odekerke. ik was verzot op die televisieserie.

Wat moet ik me, als vooralsnog ongeroepene, bij een roeping voorstellen?

Mark: Mijn roeping was niet sterk - dat is gebleken - maar toch herinner ik me nog steeds dat plotselinge gevoel van diepe rust en harmonie dat me toen wel eens overviel: in de kerk, of als ik met mensen samen was. Dat was ook een kick, in ieder geval hevig genoeg opdat ik zou kunnen denken: 'misschien moet ik dat doen'. Het komt en het gaat, het heeft te maken met begeestering. Sommige priesters konden begeesteren, zonder dat ze me probeerden te bekeren.

Jij hoefde niet bekeerd te worden.

Mark: Neen, ik was al zo (lachje). Maar goed, één van die priesters kom ik nog weleens tegen in het café, en telkens weer maakt die man indruk op mij, terwijl we alleen over wereldse onderwerpen praten, nooit iets religieus dus.

Ben je nog steeds gelovig?

Mark: Euh...ja.

Was dat een aarzeling?

Mark: Ik praktiseer niet meer.

En dat maakt voor jou een wezenlijk verschil uit.

Mark: Er zijn priesters doe gewoon niet kunnen preken, en als ik hen aan het werk zie, doen ze mij helemaal niets, en dan vraag ik me af: 'wat staat die man hier eigenlijk te doen?' En ik maak ook bezwaren tegen de geijkte gebeden in de kerk, er zijn er nogal wat in de gemiddelde eucharistieviering. Aan een bisschop of een kardinaal zou ik weleens willen vragen waarvoor die gebeden nog dienen, wat zeggen we eigenlijk nog in de kerk? Al die teksten worden gewoon opgedreund, niemand staat er nog bij stil. Als ik jog, heb ik meer het gevoel dat ik aan het bidden ben dan in een kerk, waar ik omringd ben door mensen die gedachteloos gebeden opdreunen.

Zie je dat joggen dan ook als een spirituele oefening?

Mark: Nu wel. Ik ben natuurlijk beginnen joggen voor mijn fysieke conditie. Ik was gestopt met roken, en ik wou mijn longinhoud vergroten en mijn stem verbeteren. Na een tijd ontdekte ik dat ik gelukkig werd van dat lopen, en dat dat geluk zelfs een beetje verslavend was.

Dat zou weleens iets te maken kunnen hebben met een biochemisch proces dat zich tijdens het joggen in de hersenen voltrekt.

Mark: Dat zou kunnen, soms denk ik onder het lopen: 'amaai, wat ben ik nu gelukkig,' en dat is voor mij een spirituele ervaring. Ik raak geïnspireerd als ik jog: uitgerekend dan dienen zich oplossingen aan voor een liedjestekst die ik aan het schrijven ben en waar ik eerst niet helemaal uit dreigde te komen. Of schiet er mij ineens een mooie melodie te binnen.

HOMO IN DE WIEG

Daarnet zei je dat vooral de drang acteur te worden je van het priesterschap heeft afgehouden. Schrikte het celibaat je niet af?

Mark: In die tijd had ik al wel door dat ik niets voor de vrouwen voelde, dat ik, kortom, veel sneller op jongens dan op meisjes verliefd werd. Na dat besef heeft het nog heel lang geduurd voor ik daar openlijk over durfde te praten.

Waar wachtte je op?

Mark: Op een signaal van mijn familie, een teken waaruit bij voorkeur zou blijken dat ze al heel lang wisten dat ik homo was. Dat teken heb ik gekregen. Ik heb er niet om gevraagd, en mijn familie is er ook niet uit zichzelf over begonnen, het is er gewoon van gekomen. Mijn ouders en mijn broers en zussen leken het al heel lang te weten. In een fantastisch gesprek heeft mijn moeder mij ooit gezegd: 'ik wist het bij wijze van spreken al in de seconden na de geboorte: ja, koekenbak, dat is er een.' En toen ik een jaar of twee, drie was, wist ze het wel heel zeker.

Merkwaardig

Mark: Ja, maar ook wel heel tof. Ik had er veel vroeger over moeten praten, maar ik heb heel lang gedacht: 'laat ik het maar verzwijgen, want eigenlijk hoort het toch niet helemaal.' Ik had moeten weten dat mijn ouders zouden zeggen: Markske, als jij maar gelukkig bent.

Heb je, in de tijd dat je er niet over sprak, niet stiekem contact gezocht met het homomilieu?

Mark: Dat durfde ik niet. En ik wou vooral niets stiekem doen, toen niet en nu nog steeds niet. Met een bepaald soort homo's zoek ik liever geen contact. Ik stoor me bijvoorbeeld een beetje aan de gay parade. Zo extreem met je geaardheid naar buiten treden, dat ligt me niet. Eén keer ben ik naar een fuif in een homocafé geweest, en na een halfuur ben ik er weggegaan: ik werd er gek van dat nichterige gedoe.

Omdat je zelf geen klapwiekende nicht bent.

Mark: Er zijn heel veel homo's zoals ik, en daarom alleen al zou het homomilieu moeten beseffen dat dat nichterige gedoe geen exclusief uithangbord mag zijn. Maar ja, als de media aandacht besteden aan homo's, krijg je altijd extreme, in het oog lopende nichterigheid te zien, want die beelden zijn natuurlijk veel kleurrijker en spannender dan beelden van vijf homo's die ergens aan het vergaderen zijn.

Ben je alleen?

Mark: Ja, al tien jaar. Ik weet dat ik onvoorwaardelijk verliefd kan zijn, in zulke omstandigheden is het alles of niets voor mij. Soms blijft die verliefdheid onuitgesproken of is ze niet wederzijds, en dan waait ze wel over. Dat stelt me niet teleur, want onbeantwoorde verliefdheid is veel minder erg dan een relatie die ophoudt. Ik heb één vriend gehad, toen ik nog vrij jong was, rond de twintig. Sedertdien niet meer. Ik ben niet eenzaam, ik ben zelfs gelukkig als ik alleen ben. Als ik thuiskom, draai ik de deur op slot en ben ik heel bewust alleen. Er is niemand met wie ik afspraken moet maken of aan wie ik verantwoording moet afleggen. Ik kan helemaal zelf bepalen wanneer ik mensen om me heen wil. Dat vind ik nu leuk, maar het lijkt mij niet zo verstandig om dat heel lang aan te houden. Vanzelfsprekend heb ik wel eens gedacht: 'Nu zou ik graag een vriend hebben.' Maar nu hoeft het niet.

Kan er volgens jou een verband bestaan tussen homoseksualiteit en een roeping?

Mark: Wellicht wel. Het is een uitweg, een soort oplossing. Dat heeft in mijn geval zeker meegespeeld.

Volg je de verwikkelingen tussen Rudy Borremans en kardinaal Danneels?

Mark: Zelfs met grote belangstelling. Die zaak is in mijn ogen én ontzettend komisch én erg tragisch, doordat alles zo op de spits wordt gedreven. Ik vraag me af of het wel echt nodig was dat priester Borremans openlijk ging samenwonen.

Hoe had jij het opgelost, gesteld dat je toch priester was geworden?

Mark: Wat er tussen mij en mijn partner is, zou ik om te beginnen volstrekt privé beschouwen. En ik zou mijn relatie zeker niet ongedaan maken. Kortom: ik had gewoon met mijn partner samengeleefd zonder daar openlijk voor uit te komen. Als je op die manier met z'n tweeën gelukkig bent, is het toch niet nodig dat één van die partners zijn job en zijn geluk op het spel zet door op de barricades te gaan staan? In de kerk is er een groot verschil tussen theorie en praktijk. Ik heb ooit een moeder van een homo horen zeggen: Nu mag hij niet meer ter communie gaan. Er was ook een priester in ons gezelschap: Wie zegt dat?, vroeg die. De paus, zei die moeder, waarop die priester vroeg: Is de paus hier in België? Neen toch? Wel, dan zal hij je zoon zeker niet kunnen controleren. Dat vond ik fantastisch. En dat je homo bent heeft voor de rest niets, maar dan ook niets, met je geloof te maken.

Heb je een bepaalde voorstelling van god?

Mark: Neen. Hij roept geen beelden in me op, en Hij is voor mij geen 'kracht' of 'energie'. Volgens mij kun je je maar beter niets afvragen over de vorm of het uiterlijk van God, want zulke vragen nemen een deel van de mystiek weg. En de mystiek is het mooie, zelfs het theatrale van het geloof.

Is je geloof ooit op de proef gesteld?

Mark: Neen, misschien wel omdat ik in mijn leven nog niets ergs heb meegemaakt. Ik heb een geweldige kindertijd achter de rug, één feest, en voor de rest heb ik altijd veel geluk gehad.

MONSTER MARK

Heb je op de toneelschool ooit te horen gekregen dat je te braaf bent?

Mark: Ja. Op school speelde ik Kasmir in 'Kasmir en Karoline' van Von Hovarth. Na afloop van die voorstelling zei Karst Woudstra dat hij kon zien dat ik nog niets had meegemaakt. Maar hij gaf me wel hoop, want al met al was ik nog maar drieëntwintig. In mij zal er ook wel een monster schuilgaan, ik zou het wel kunnen vinden, denk ik, maar heb ik dat monster als acteur al veel nodig gehad? Neen. En zolang ik het niet nodig heb ga ik er ook niet naar zoeken.

Jij bent een acteur die heel veel werk heeft. Vorig week las ik in de krant dat acteurs - er zijn er naar verluidt 3564 in België - gemiddeld 135000 frank (3347euro) bruto per jaar verdienen. Dat is aanzienlijk minder dan het bestaansminimum.

Mark: Op de set van flikken was iedereen van die cijfers geschrokken. Ik wist wel dat sommige acteurs het moeilijk hadden, maar ik had er geen idee van dat het zo erg was. Ik mag absoluut niet klagen, want ik verdien een veelvoud van dat gemiddelde inkomen. Ik weet het niet zeker, maar misschien hebben die treurige cijfers ook wel iets te maken met acteurs die zich laten onderbetalen. Ik mag van geluk spreken: ik heb al heel veel verschillende rollen mogen spelen, ik ben zo te zien geen slachtoffer van typecasting, terwijl er tegenwoordig overal getypecast wordt. Maar goed, de factor geluk kun je in mijn vak niet uitsluiten. Heb je veel werk omdat je goed bent, of omdat je op het juiste moment de juiste man op de juiste plaats tegenkomt? Zeker weet je het nooit.

Je werkt heel hard en je doet veel dingen tegelijkertijd. Ben je een van die mensen die hard moeten werken om gelukkig te zijn?

Mark: Ik moet hard werken, want anders denk ik te veel na, wat altijd op besluiteloosheid uitdraait. En ik ben als de dood voor verveling, waardoor ik ook nooit lang vakantie kan nemen. Ik hou het maximaal drie dagen uit, dan moet ik weer beginnen te werken of ik word gek.

Ik zou je een commercieel acteur durven noemen. Je doet veel televisiewerk, wat vandaag de dag per defentie commercieel is, zelfs al wordt het door de openbare omroep uitgezonden, en je staat ook in musicals, tegenwoordig het commerciële genre bij uitstek.

Mark: Volledig akkoord, al ben ik in het niet-commerciële theater begonnen. Ik heb onder andere in Faust en De Gebroeders Karamazov gespeeld. Zulke producties trekken mij nu niet meer aan. Ik merk dat ik ontzettend geniet van groots opgezette commerciële ondernemingen. Laat ik eens iets uit 'Het leugenpaleis' citeren: 'Ik ben een commercieel zwijn.' Dat zwijn klinkt me net iets te hard, maar toch voel ik me heel goed in het commerciële circuit. Als ik voor achtienhonderd man Peter Pan speel, is mijn kick heel groot. De interessantste vraag die je volgens mij kunt stellen, is: Hoe maken we een zo goed mogelijk product voor een zo groot mogelijk publiek? Elke acteur zou gewoon moeten toegeven dat hij altijd hoopt dat er zoveel mogelijk mensen naar komen kijken.

De commercie sluit me dunkt vernieuwing, zelfs evolutie uit, want als je 'op een zo groot mogelijk publiek mikt', kun je maar beter oude, vertrouwde paden bewandelen, en zeker niets verontrustends doen.

Mark: Het experiment en de vernieuwing moeten absoluut worden ondersteund, maar ik zal er niet aan meedoen, omdat ik me er niet gelukkig in voel. Ik verlang er niet naar in het Toneelhuis te spelen. Toen ik in Faust en in De Gebroeders Karamazov stond - we speelden voor maximaal honderd toeschouwers - dacht ik na verloop van tijd: 'Hier heb ik weinig aan.' Ik heb wel nooit bewust afscheid genomen van het theater, ik kreeg werk bij de televisie, en daar kwam steeds weer ander werk uit voort, en voor je het weet doe je bijna niets anders meer dan televisiewerk. Ineens wéét je dat televisie je ding is. Ik geniet intens van de uitstekende kijkcijfers van 'Flikken'. Ik voel me heel goed in die serie, niet in de laatste plaats omdat men zich daar net als ik afvraagt: Hoe maken we een zo goed mogelijk product voor zoveel mogelijk mensen?

OOM AGENT

Toch wel vreemd, hè, dat al die Gentse dienders met een Antwerps accent praten?

Mark: Tja, daar kan ik niks tegen inbrengen. Maar we proberen zoveel mogelijk algemeen Nederlands te spreken, en ach, Vlaanderen is zo klein, zodat we Gent toch een beetje mogen overstijgen, hè? Ik vind het overigens niet erg dat je aan een acteur of een omroeper of een presentator kunt horen waar hij vandaan komt.

Kun je nog veel doen met de rol van Pasmans?

Mark: Ik heb het gevoel dat het ondertussen wel zit. Nu is het alleen nog een kwestie van zo nu en dan een nuanceverschil aan te brengen. Pasmans mocht van meet af aan geen macho zijn, en daar had ik absoluut geen probleem mee. hij is wel hoog opgeleid, en daardoor was hij in het begin ook pretentieus. We hebben beslist dat aspect een beetje terug te schroeven, waardoor hij een betere relatie kan hebben met Raymond, zijn naaste collega, gespeeld door Ludo Hellinx. Ze vitten nog wel op elkaar, maar ondertussen weet je wel dat ze behoorlijk close zijn. Het eeuwige gestuntel van Pasmans is ook bijna verdwenen, want de jonge onervaren agent kon ik niet blijven spelen. Op een dag moest die man gerodeerd zijn. Voor dat gestuntel is iets anders in de plaats gekomen: In sociaal contact slaat hij een aantal stappen over, omdat hij sneller denkt dan de rest, en juist daardoor krijgt hij iets wereldvreemds.

Ik weet niet hoe het met jouw generatie zit, maar mijne wantrouwde de politie heel erg.

Mark: Ik had een oom die bij de politie was. Ik ben nooit bang voor hem geweest, en zijn beroep heb ik ook altijd heel gewoon gevonden. Ik ben een aantal keren met de echte politie van Gent meegereden, en toen ben ik erachter gekomen dat ze nooit kijken of de automobilisten hun gordel wel om hebben, terwijl wij dat toch altijd denken als we in onze achteruitkijkspiegel een combi zien naderen. Zij zijn daar absoluut niet mee bezig, want altijd moeten ze ergens naartoe om een opdracht uit te voeren, en daar concentreren ze zich onderweg op.

Even los van de Flikken: voel je je doorgaans veilig in je woonstad Antwerpen?

Mark: Ja, maar dat komt misschien wel omdat ik nog niet of nauwelijks met criminaliteit in aanraking ben gekomen. Ik durf 's nachts op straat te lopen, ik durf 's nachts ook de ondergrondse parkeergarages in.

Je bent nog steeds wrapper bij ketnet. Heb je als dertiger nog het gevoel dat je één bent met je doelgroep?

Mark: Ik moet geen kind onder de kinderen proberen te zijn. Je moet die kinderen wel niet als volwassenen bekijken, maar je moet ze wel serieus nemen. En vooral gewoon tegen ze doen, en je in geen geval opstellen als hun opvoeder, want daar hebben ze hun mama en hun papa als voor, en hun onderwijzers of leraren.

Binnenkort sta je in de musical 'Camelot'. Het valt me op dat de tickets voor dat soort op het breedst mogenlijke publiek gerichte spektakels altijd weer schandalig duur zijn.

Mark: Dat vind ik heel jammer. Vroeger had je hiet in Antwerpen het Koninklijk Jeugdtheater. Die voerden ook musicals op: Annie, en sprookjes in musicalvorm. Je kon die spektakels voor een habbekrats zien, als je er met een groot gezin naartoe ging, was je niet eens zo veel geld kwijt, want het KJT was geen privé-onderneming maar een gesubsidieerd theater. Het KJT is overgegaan in Het Paleis, dat op vernieuwing uit is, waar ik niets op tegen heb. Maar daardoor is de traditionele musical er integraal afgeschaft, en daar heb ik wél iets op tegen. Nu zijn het alleen nog grote productiehuizen als Studio100 en Music Hall die zich met die traditionele musical bezighouden. Die bedrijven moeten winst maken, en daarom zijn de tickets ongeveer tien keer duurder dan destijds in het KJT. Volgens mij heeft men iets afgeschaft dat niet afgeschaft had mogen worden. Mensen zeggen me meer dan eens: Mark, we zouden dolgraag komen kijken, maar weet je wat dat kost als je vier kinderen hebt? Het KJT was een van de grootste kinder- en jeugdtheaters van West-Europa. Hopenlijk beseft de stad Antwerpen, of de Vlaamse Gemeenschap, ooit nog wat zij destijds heeft weggegooid. Weggegooid is het juiste woord, en al de regisseurs van toen zijn naar de commerciële productiehuizen overgestapt: de hele knowhow is nu dus in handen van de commercie. Mocht het KJT, of een soortgelijk gesubsidieerd theater, uit z'n asse verrijzen, dan zou ik zeer graag aan het theater willen meewerken. Groots opgezette spektakels moeten voor iedereen toegankelijk zijn, en eerlijk: ik vind het zonde dat veel mensen zich geen tickets voor een musical kunnen permitteren.

Bron: Humo (11 september 2001)